NL: vermorzelenSynoniemen: platdrukken, verbrijzelen, vergruizen, verpletteren, fijnmaken
DE: zerquetschen, walzen, zerbrechen, verreiben, feinmachen, feinmahlen, erdrücken, zerkleinern, zermalmen, zermahlen, kaputtschlagen
EN: pulverize, crush, shatter, dash, smash, rub fine
ES: machacar, estrujar, romper, estropear, destruir, aplastar, destrozar, triturar, exprimir, aplastarse, pulverizar, anonadar, hacer polvo, hacer pedazos
FR: écraser, pulvériser, mâchurer, broyer, réduire en poudre
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
vermorzeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vermorzel jij vermorzelt hij vermorzelt wij vermorzelen jullie vermorzelen zij vermorzelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb vermorzeld jij hebt vermorzeld hij heeft vermorzeld wij hebben vermorzeld jullie hebben vermorzeld zij hebben vermorzeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vermorzelde jij vermorzelde hij vermorzelde wij vermorzelden jullie vermorzelden zij vermorzelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had vermorzeld jij had vermorzeld hij had vermorzeld wij hadden vermorzeld jullie hadden vermorzeld zij hadden vermorzeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vermorzelen jij zult vermorzelen hij zal vermorzelen wij zullen vermorzelen jullie zullen vermorzelen zij zullen vermorzelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal vermorzeld hebben jij zult vermorzeld hebben hij zal vermorzeld hebben wij zullen vermorzeld hebben jullie zullen vermorzeld hebben zij zullen vermorzeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vermorzelen jij zou vermorzelen hij zou vermorzelen wij zouden vermorzelen jullie zouden vermorzelen zij zouden vermorzelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou vermorzeld hebben jij zou vermorzeld hebben hij zou vermorzeld hebben wij zouden vermorzeld hebben jullie zouden vermorzeld hebben zij zouden vermorzeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vermorzel
|