NL: vermissenSynoniemen: missen, vermissen
DE: fehlen, mangeln an, abgehen, entbehren, fehlen, mangeln an, abgehen, entbehren
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
vermist
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vermis jij vermist hij vermist wij vermissen jullie vermissen zij vermissen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb vermist jij hebt vermist hij heeft vermist wij hebben vermist jullie hebben vermist zij hebben vermist
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vermiste jij vermiste hij vermiste wij vermisten jullie vermisten zij vermisten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had vermist jij had vermist hij had vermist wij hadden vermist jullie hadden vermist zij hadden vermist
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vermissen jij zult vermissen hij zal vermissen wij zullen vermissen jullie zullen vermissen zij zullen vermissen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal vermist hebben jij zult vermist hebben hij zal vermist hebben wij zullen vermist hebben jullie zullen vermist hebben zij zullen vermist hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vermissen jij zou vermissen hij zou vermissen wij zouden vermissen jullie zouden vermissen zij zouden vermissen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou vermist hebben jij zou vermist hebben hij zou vermist hebben wij zouden vermist hebben jullie zouden vermist hebben zij zouden vermist hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vermis
|
DE: vermissenSynoniemen: fehlen, mangeln an, abgehen, entbehren, fehlen, mangeln an, abgehen, entbehren
NL: missen, vermissen
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
vermißt vermissend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich vermisse du vermißt er vermißt wir vermissen ihr vermißt sie; Sie vermissen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe vermißt du hast vermißt er hat vermißt wir haben vermißt ihr habt vermißt sie; Sie haben vermißt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich vermißte du vermißtest er vermißte wir vermißten ihr vermißtet sie; Sie vermißten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte vermißt du hattest vermißt er hatte vermißt wir hatten vermißt ihr hattet vermißt sie; Sie hatten vermißt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde vermissen du wirst vermissen er wird vermissen wir werden vermissen ihr werdet vermissen sie; Sie werden vermissen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde vermißt haben du wirst vermißt haben er wird vermißt haben wir werden vermißt haben ihr werdet vermißt haben sie; Sie werden vermißt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich vermisse du vermissest er vermisse wir vermissen ihr vermisset sie; Sie vermissen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe vermißt du habest vermißt er habe vermißt wir haben vermißt ihr habet vermißt sie; Sie haben vermißt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich vermißte du vermißtest er vermißte wir vermißten ihr vermißtet sie; Sie vermißten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte vermißt du hättest vermißt er hätte vermißt wir hätten vermißt ihr hättet vermißt sie; Sie hätten vermißt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde vermissen du würdest vermissen er würde vermissen wir würden vermissen ihr würdet vermissen sie; Sie würden vermissen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde vermißt haben du würdest vermißt haben er würde vermißt haben wir würden vermißt haben ihr würdet vermißt haben sie; Sie würden vermißt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du vermisse
|