NL: vermengenDE: mischen, mengen, eine Melange machen aus, eine Mischung machen aus, ein Gemisch machen aus, melieren, mixen, panschen, strecken, umrühren, vermischen, verschneiden, versetzen, mischen, mengen, eine Melange machen aus, eine Mischung machen aus, ein Gemisc
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
vermengd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vermeng jij vermengt hij vermengt wij vermengen jullie vermengen zij vermengen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb vermengd jij hebt vermengd hij heeft vermengd wij hebben vermengd jullie hebben vermengd zij hebben vermengd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vermengde jij vermengde hij vermengde wij vermengden jullie vermengden zij vermengden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had vermengd jij had vermengd hij had vermengd wij hadden vermengd jullie hadden vermengd zij hadden vermengd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vermengen jij zult vermengen hij zal vermengen wij zullen vermengen jullie zullen vermengen zij zullen vermengen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal vermengd hebben jij zult vermengd hebben hij zal vermengd hebben wij zullen vermengd hebben jullie zullen vermengd hebben zij zullen vermengd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vermengen jij zou vermengen hij zou vermengen wij zouden vermengen jullie zouden vermengen zij zouden vermengen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou vermengd hebben jij zou vermengd hebben hij zou vermengd hebben wij zouden vermengd hebben jullie zouden vermengd hebben zij zouden vermengd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vermeng
|
DE: vermengenSynoniemen: mischen, mengen, eine Melange machen aus, eine Mischung machen aus, ein Gemisch machen aus, melieren, mixen, panschen, strecken, umrühren, vermischen, verschneiden, versetzen, mischen, mengen, eine Melange machen aus, eine Mischung machen aus, ein Gemisc
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
vermengt vermengend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich vermenge du vermengst er vermengt wir vermengen ihr vermengt sie; Sie vermengen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe vermengt du hast vermengt er hat vermengt wir haben vermengt ihr habt vermengt sie; Sie haben vermengt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich vermengte du vermengtest er vermengte wir vermengten ihr vermengtet sie; Sie vermengten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte vermengt du hattest vermengt er hatte vermengt wir hatten vermengt ihr hattet vermengt sie; Sie hatten vermengt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde vermengen du wirst vermengen er wird vermengen wir werden vermengen ihr werdet vermengen sie; Sie werden vermengen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde vermengt haben du wirst vermengt haben er wird vermengt haben wir werden vermengt haben ihr werdet vermengt haben sie; Sie werden vermengt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich vermenge du vermengest er vermenge wir vermengen ihr vermenget sie; Sie vermengen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe vermengt du habest vermengt er habe vermengt wir haben vermengt ihr habet vermengt sie; Sie haben vermengt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich vermengte du vermengtest er vermengte wir vermengten ihr vermengtet sie; Sie vermengten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte vermengt du hättest vermengt er hätte vermengt wir hätten vermengt ihr hättet vermengt sie; Sie hätten vermengt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde vermengen du würdest vermengen er würde vermengen wir würden vermengen ihr würdet vermengen sie; Sie würden vermengen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde vermengt haben du würdest vermengt haben er würde vermengt haben wir würden vermengt haben ihr würdet vermengt haben sie; Sie würden vermengt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du vermenge
|