NL: verlezen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verlezen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verlees jij verleest hij verleest wij verlezen jullie verlezen zij verlezen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verlezen jij hebt verlezen hij heeft verlezen wij hebben verlezen jullie hebben verlezen zij hebben verlezen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verlas jij verlas hij verlas wij verlazen jullie verlazen zij verlazen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verlezen jij had verlezen hij had verlezen wij hadden verlezen jullie hadden verlezen zij hadden verlezen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verlezen jij zult verlezen hij zal verlezen wij zullen verlezen jullie zullen verlezen zij zullen verlezen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verlezen hebben jij zult verlezen hebben hij zal verlezen hebben wij zullen verlezen hebben jullie zullen verlezen hebben zij zullen verlezen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verlezen jij zou verlezen hij zou verlezen wij zouden verlezen jullie zouden verlezen zij zouden verlezen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verlezen hebben jij zou verlezen hebben hij zou verlezen hebben wij zouden verlezen hebben jullie zouden verlezen hebben zij zouden verlezen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verlees
|