NL: verlerenDE: verlernen
EN: forget, unlearn
ES: desaprender
FR: désaccoutumer, désapprendre, se déshabituer de
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verleerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verleer jij verleert hij verleert wij verleren jullie verleren zij verleren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verleerd jij hebt verleerd hij heeft verleerd wij hebben verleerd jullie hebben verleerd zij hebben verleerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verleerde jij verleerde hij verleerde wij verleerden jullie verleerden zij verleerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verleerd jij had verleerd hij had verleerd wij hadden verleerd jullie hadden verleerd zij hadden verleerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verleren jij zult verleren hij zal verleren wij zullen verleren jullie zullen verleren zij zullen verleren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verleerd hebben jij zult verleerd hebben hij zal verleerd hebben wij zullen verleerd hebben jullie zullen verleerd hebben zij zullen verleerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verleren jij zou verleren hij zou verleren wij zouden verleren jullie zouden verleren zij zouden verleren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verleerd hebben jij zou verleerd hebben hij zou verleerd hebben wij zouden verleerd hebben jullie zouden verleerd hebben zij zouden verleerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verleer
|