NL: verleppenSynoniemen: slap hangen, verwelken, verflensen, verdorren, kwijnen, verkommeren
DE: verleppen (verwelken): verblühen, verdorren, verwelken, ersterben
EN: verleppen (verwelken): wither
ES: verleppen (verwelken): marchitarse, resecarse
FR: verleppen (verwelken): se faner, se flétrir, dessécher, se dessécher
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verlept
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verlep jij verlept hij verlept wij verleppen jullie verleppen zij verleppen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verlept jij hebt verlept hij heeft verlept wij hebben verlept jullie hebben verlept zij hebben verlept
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verlepte jij verlepte hij verlepte wij verlepten jullie verlepten zij verlepten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verlept jij had verlept hij had verlept wij hadden verlept jullie hadden verlept zij hadden verlept
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verleppen jij zult verleppen hij zal verleppen wij zullen verleppen jullie zullen verleppen zij zullen verleppen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verlept hebben jij zult verlept hebben hij zal verlept hebben wij zullen verlept hebben jullie zullen verlept hebben zij zullen verlept hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verleppen jij zou verleppen hij zou verleppen wij zouden verleppen jullie zouden verleppen zij zouden verleppen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verlept hebben jij zou verlept hebben hij zou verlept hebben wij zouden verlept hebben jullie zouden verlept hebben zij zouden verlept hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verlep
|