NL: verklungelenSynoniemen: verpesten, verzieken, verknoeien, verknallen, verbroddelen, stukmaken, bederven
DE: verklungelen (verpesten): verderben, verpesten, verseuchen
EN: verklungelen (verpesten): mess up, muck up, spoil, botch up
ES: verklungelen (verpesten): estropear
FR: verklungelen (verpesten): gâcher, détériorer, casser, abîmer, briser, rompre, gâter, gaspiller, corrompre, ruiner, défigurer, mutiler, bousiller, dépérir, pervertir
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verklungeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verklungel jij verklungelt hij verklungelt wij verklungelen jullie verklungelen zij verklungelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verklungeld jij hebt verklungeld hij heeft verklungeld wij hebben verklungeld jullie hebben verklungeld zij hebben verklungeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verklungelde jij verklungelde hij verklungelde wij verklungelden jullie verklungelden zij verklungelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verklungeld jij had verklungeld hij had verklungeld wij hadden verklungeld jullie hadden verklungeld zij hadden verklungeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verklungelen jij zult verklungelen hij zal verklungelen wij zullen verklungelen jullie zullen verklungelen zij zullen verklungelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verklungeld hebben jij zult verklungeld hebben hij zal verklungeld hebben wij zullen verklungeld hebben jullie zullen verklungeld hebben zij zullen verklungeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verklungelen jij zou verklungelen hij zou verklungelen wij zouden verklungelen jullie zouden verklungelen zij zouden verklungelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verklungeld hebben jij zou verklungeld hebben hij zou verklungeld hebben wij zouden verklungeld hebben jullie zouden verklungeld hebben zij zouden verklungeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verklungel
|