NL: verklappenSynoniemen: doorslaan, doorvertellen, klikken, verklikken, verraden, verlinken, uitbrengen, aangeven, aanbrengen
DE: verraten, ausplaudern, ausplappern, ausschwatzen
EN: blurt out, tip the scales, blab, let slip out
ES: delatar, cantar, soltar, soplar, traicionar, tirar de la manta
FR: dévoiler, rapporter, dire sans réfléchir, divulguer quelque chose, lâcher, répandre, dénoncer quelqu'un
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verklapt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verklap jij verklapt hij verklapt wij verklappen jullie verklappen zij verklappen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verklapt jij hebt verklapt hij heeft verklapt wij hebben verklapt jullie hebben verklapt zij hebben verklapt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verklapte jij verklapte hij verklapte wij verklapten jullie verklapten zij verklapten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verklapt jij had verklapt hij had verklapt wij hadden verklapt jullie hadden verklapt zij hadden verklapt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verklappen jij zult verklappen hij zal verklappen wij zullen verklappen jullie zullen verklappen zij zullen verklappen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verklapt hebben jij zult verklapt hebben hij zal verklapt hebben wij zullen verklapt hebben jullie zullen verklapt hebben zij zullen verklapt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verklappen jij zou verklappen hij zou verklappen wij zouden verklappen jullie zouden verklappen zij zouden verklappen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verklapt hebben jij zou verklapt hebben hij zou verklapt hebben wij zouden verklapt hebben jullie zouden verklapt hebben zij zouden verklapt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verklap
|