NL: verhorenSynoniemen: horen, ondervragen, vervullen, uitvragen, uithoren, overhoren
DE: verhoren (ondervragen): verhören, befragen, ausforschen, ausfragen, abhören
EN: verhoren (ondervragen): interrogate, interpellate, question, hear, subsidize, grant
FR: verhoren (ondervragen): interroger, questionner
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verhoord
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verhoor jij verhoort hij verhoort wij verhoren jullie verhoren zij verhoren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verhoord jij hebt verhoord hij heeft verhoord wij hebben verhoord jullie hebben verhoord zij hebben verhoord
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verhoorde jij verhoorde hij verhoorde wij verhoorden jullie verhoorden zij verhoorden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verhoord jij had verhoord hij had verhoord wij hadden verhoord jullie hadden verhoord zij hadden verhoord
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verhoren jij zult verhoren hij zal verhoren wij zullen verhoren jullie zullen verhoren zij zullen verhoren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verhoord hebben jij zult verhoord hebben hij zal verhoord hebben wij zullen verhoord hebben jullie zullen verhoord hebben zij zullen verhoord hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verhoren jij zou verhoren hij zou verhoren wij zouden verhoren jullie zouden verhoren zij zouden verhoren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verhoord hebben jij zou verhoord hebben hij zou verhoord hebben wij zouden verhoord hebben jullie zouden verhoord hebben zij zouden verhoord hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verhoor
|