NL: verhollandsen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verhollandst
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verhollands jij verhollandst hij verhollandst wij verhollandsen jullie verhollandsen zij verhollandsen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verhollandst jij hebt verhollandst hij heeft verhollandst wij hebben verhollandst jullie hebben verhollandst zij hebben verhollandst
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verhollandste jij verhollandste hij verhollandste wij verhollandsten jullie verhollandsten zij verhollandsten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verhollandst jij had verhollandst hij had verhollandst wij hadden verhollandst jullie hadden verhollandst zij hadden verhollandst
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verhollandsen jij zult verhollandsen hij zal verhollandsen wij zullen verhollandsen jullie zullen verhollandsen zij zullen verhollandsen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verhollandst hebben jij zult verhollandst hebben hij zal verhollandst hebben wij zullen verhollandst hebben jullie zullen verhollandst hebben zij zullen verhollandst hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verhollandsen jij zou verhollandsen hij zou verhollandsen wij zouden verhollandsen jullie zouden verhollandsen zij zouden verhollandsen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verhollandst hebben jij zou verhollandst hebben hij zou verhollandst hebben wij zouden verhollandst hebben jullie zouden verhollandst hebben zij zouden verhollandst hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verhollands
|