NL: verhalenSynoniemen: vertellen, vetellingen, vertelsels, zeggen, uiteenzetten, mededelen, beschrijven
DE: verhalen (verhaal vertellen): erzählen, sagen, austragen, melden, mitteilen, berichten, Geschichte erzählen, deklamieren, reden, sprechen
EN: verhalen (verhaal vertellen): tell, report, narrate
ES: verhalen (verhaal vertellen): contar, narrar
FR: verhalen (verhaal vertellen): raconter, parler, conter, dire, répandre, rendre compte
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verhaald
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verhaal jij verhaalt hij verhaalt wij verhalen jullie verhalen zij verhalen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verhaald jij hebt verhaald hij heeft verhaald wij hebben verhaald jullie hebben verhaald zij hebben verhaald
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verhaalde jij verhaalde hij verhaalde wij verhaalden jullie verhaalden zij verhaalden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verhaald jij had verhaald hij had verhaald wij hadden verhaald jullie hadden verhaald zij hadden verhaald
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verhalen jij zult verhalen hij zal verhalen wij zullen verhalen jullie zullen verhalen zij zullen verhalen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verhaald hebben jij zult verhaald hebben hij zal verhaald hebben wij zullen verhaald hebben jullie zullen verhaald hebben zij zullen verhaald hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verhalen jij zou verhalen hij zou verhalen wij zouden verhalen jullie zouden verhalen zij zouden verhalen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verhaald hebben jij zou verhaald hebben hij zou verhaald hebben wij zouden verhaald hebben jullie zouden verhaald hebben zij zouden verhaald hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verhaal
|