NL: vergoelijkenSynoniemen: goedpraten, vergoeilijken, bagatelliseren
EN: excuse, extenuate, smooth over, palliate
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
vergoelijkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vergoelijk jij vergoelijkt hij vergoelijkt wij vergoelijken jullie vergoelijken zij vergoelijken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb vergoelijkt jij hebt vergoelijkt hij heeft vergoelijkt wij hebben vergoelijkt jullie hebben vergoelijkt zij hebben vergoelijkt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vergoelijkte jij vergoelijkte hij vergoelijkte wij vergoelijkten jullie vergoelijkten zij vergoelijkten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had vergoelijkt jij had vergoelijkt hij had vergoelijkt wij hadden vergoelijkt jullie hadden vergoelijkt zij hadden vergoelijkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vergoelijken jij zult vergoelijken hij zal vergoelijken wij zullen vergoelijken jullie zullen vergoelijken zij zullen vergoelijken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal vergoelijkt hebben jij zult vergoelijkt hebben hij zal vergoelijkt hebben wij zullen vergoelijkt hebben jullie zullen vergoelijkt hebben zij zullen vergoelijkt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vergoelijken jij zou vergoelijken hij zou vergoelijken wij zouden vergoelijken jullie zouden vergoelijken zij zouden vergoelijken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou vergoelijkt hebben jij zou vergoelijkt hebben hij zou vergoelijkt hebben wij zouden vergoelijkt hebben jullie zouden vergoelijkt hebben zij zouden vergoelijkt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vergoelijk
|