NL: vergoddelijken U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
vergoddelijkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vergoddelijk jij vergoddelijkt hij vergoddelijkt wij vergoddelijken jullie vergoddelijken zij vergoddelijken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb vergoddelijkt jij hebt vergoddelijkt hij heeft vergoddelijkt wij hebben vergoddelijkt jullie hebben vergoddelijkt zij hebben vergoddelijkt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vergoddelijkte jij vergoddelijkte hij vergoddelijkte wij vergoddelijkten jullie vergoddelijkten zij vergoddelijkten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had vergoddelijkt jij had vergoddelijkt hij had vergoddelijkt wij hadden vergoddelijkt jullie hadden vergoddelijkt zij hadden vergoddelijkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vergoddelijken jij zult vergoddelijken hij zal vergoddelijken wij zullen vergoddelijken jullie zullen vergoddelijken zij zullen vergoddelijken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal vergoddelijkt hebben jij zult vergoddelijkt hebben hij zal vergoddelijkt hebben wij zullen vergoddelijkt hebben jullie zullen vergoddelijkt hebben zij zullen vergoddelijkt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vergoddelijken jij zou vergoddelijken hij zou vergoddelijken wij zouden vergoddelijken jullie zouden vergoddelijken zij zouden vergoddelijken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou vergoddelijkt hebben jij zou vergoddelijkt hebben hij zou vergoddelijkt hebben wij zouden vergoddelijkt hebben jullie zouden vergoddelijkt hebben zij zouden vergoddelijkt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vergoddelijk
|