NL: verglazenSynoniemen: glazuren
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verglaasd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verglaas jij verglaast hij verglaast wij verglazen jullie verglazen zij verglazen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verglaasd jij hebt verglaasd hij heeft verglaasd wij hebben verglaasd jullie hebben verglaasd zij hebben verglaasd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verglaasde jij verglaasde hij verglaasde wij verglaasden jullie verglaasden zij verglaasden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verglaasd jij had verglaasd hij had verglaasd wij hadden verglaasd jullie hadden verglaasd zij hadden verglaasd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verglazen jij zult verglazen hij zal verglazen wij zullen verglazen jullie zullen verglazen zij zullen verglazen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verglaasd hebben jij zult verglaasd hebben hij zal verglaasd hebben wij zullen verglaasd hebben jullie zullen verglaasd hebben zij zullen verglaasd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verglazen jij zou verglazen hij zou verglazen wij zouden verglazen jullie zouden verglazen zij zouden verglazen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verglaasd hebben jij zou verglaasd hebben hij zou verglaasd hebben wij zouden verglaasd hebben jullie zouden verglaasd hebben zij zouden verglaasd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verglaas
|