NL: vergezellenSynoniemen: begeleiden, geleiden, meegaan, meelopen, volgen, volgt, escorte, escorteren, chaperonneren, begeleiding
DE: mitgehen, begleiten, geleiten, herumführen
EN: accompany, conduct, come along with, escort, chaperon, walk along
ES: acompañar
FR: accompagner, escorter, chaperonner, mener, conduire
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
vergezeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vergezel jij vergezelt hij vergezelt wij vergezellen jullie vergezellen zij vergezellen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb vergezeld jij hebt vergezeld hij heeft vergezeld wij hebben vergezeld jullie hebben vergezeld zij hebben vergezeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vergezelde jij vergezelde hij vergezelde wij vergezelden jullie vergezelden zij vergezelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had vergezeld jij had vergezeld hij had vergezeld wij hadden vergezeld jullie hadden vergezeld zij hadden vergezeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vergezellen jij zult vergezellen hij zal vergezellen wij zullen vergezellen jullie zullen vergezellen zij zullen vergezellen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal vergezeld hebben jij zult vergezeld hebben hij zal vergezeld hebben wij zullen vergezeld hebben jullie zullen vergezeld hebben zij zullen vergezeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vergezellen jij zou vergezellen hij zou vergezellen wij zouden vergezellen jullie zouden vergezellen zij zouden vergezellen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou vergezeld hebben jij zou vergezeld hebben hij zou vergezeld hebben wij zouden vergezeld hebben jullie zouden vergezeld hebben zij zouden vergezeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vergezel
|