NL: vergelijkenSynoniemen: checken, vergeleken, compareren
DE: vergleichen, konfrontieren, zusammenhalten
EN: compare with, compare to, compare, equate, confront
ES: comparar
FR: comparer, comparer entre eux, confronter, conférer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
vergeleken
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vergelijk jij vergelijkt hij vergelijkt wij vergelijken jullie vergelijken zij vergelijken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb vergeleken jij hebt vergeleken hij heeft vergeleken wij hebben vergeleken jullie hebben vergeleken zij hebben vergeleken
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vergeleek jij vergeleek hij vergeleek wij vergeleken jullie vergeleken zij vergeleken
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had vergeleken jij had vergeleken hij had vergeleken wij hadden vergeleken jullie hadden vergeleken zij hadden vergeleken
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vergelijken jij zult vergelijken hij zal vergelijken wij zullen vergelijken jullie zullen vergelijken zij zullen vergelijken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal vergeleken hebben jij zult vergeleken hebben hij zal vergeleken hebben wij zullen vergeleken hebben jullie zullen vergeleken hebben zij zullen vergeleken hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vergelijken jij zou vergelijken hij zou vergelijken wij zouden vergelijken jullie zouden vergelijken zij zouden vergelijken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou vergeleken hebben jij zou vergeleken hebben hij zou vergeleken hebben wij zouden vergeleken hebben jullie zouden vergeleken hebben zij zouden vergeleken hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vergelijk
|