NL: vereisenDE: frieren, gefrieren, einfrieren, erfrieren, zufrieren
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
vereist
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vereis jij vereist hij vereist wij vereisen jullie vereisen zij vereisen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb vereist jij hebt vereist hij heeft vereist wij hebben vereist jullie hebben vereist zij hebben vereist
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vereiste jij vereiste hij vereiste wij vereisten jullie vereisten zij vereisten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had vereist jij had vereist hij had vereist wij hadden vereist jullie hadden vereist zij hadden vereist
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vereisen jij zult vereisen hij zal vereisen wij zullen vereisen jullie zullen vereisen zij zullen vereisen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal vereist hebben jij zult vereist hebben hij zal vereist hebben wij zullen vereist hebben jullie zullen vereist hebben zij zullen vereist hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vereisen jij zou vereisen hij zou vereisen wij zouden vereisen jullie zouden vereisen zij zouden vereisen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou vereist hebben jij zou vereist hebben hij zou vereist hebben wij zouden vereist hebben jullie zouden vereist hebben zij zouden vereist hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vereis
|
DE: vereisenSynoniemen: frieren, gefrieren, einfrieren, erfrieren, zufrieren
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
vereist vereisend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich vereise du vereist er vereist wir vereisen ihr vereist sie; Sie vereisen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe vereist du hast vereist er hat vereist wir haben vereist ihr habt vereist sie; Sie haben vereist
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich vereiste du vereistest er vereiste wir vereisten ihr vereistet sie; Sie vereisten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte vereist du hattest vereist er hatte vereist wir hatten vereist ihr hattet vereist sie; Sie hatten vereist
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde vereisen du wirst vereisen er wird vereisen wir werden vereisen ihr werdet vereisen sie; Sie werden vereisen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde vereist haben du wirst vereist haben er wird vereist haben wir werden vereist haben ihr werdet vereist haben sie; Sie werden vereist haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich vereise du vereisest er vereise wir vereisen ihr vereiset sie; Sie vereisen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe vereist du habest vereist er habe vereist wir haben vereist ihr habet vereist sie; Sie haben vereist
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich vereiste du vereistest er vereiste wir vereisten ihr vereistet sie; Sie vereisten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte vereist du hättest vereist er hätte vereist wir hätten vereist ihr hättet vereist sie; Sie hätten vereist
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde vereisen du würdest vereisen er würde vereisen wir würden vereisen ihr würdet vereisen sie; Sie würden vereisen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde vereist haben du würdest vereist haben er würde vereist haben wir würden vereist haben ihr würdet vereist haben sie; Sie würden vereist haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du vereise
|