NL: vereenvoudigenSynoniemen: herleiden, terugbrengen, vergemakkelijken, versoberen, simplificeren, bemakkelijken
DE: vereinfachen, simplifizieren
EN: simplify, moderate
ES: simplificar, facilitar
FR: faciliter, simplifier
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
vereenvoudigd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vereenvoudig jij vereenvoudigt hij vereenvoudigt wij vereenvoudigen jullie vereenvoudigen zij vereenvoudigen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb vereenvoudigd jij hebt vereenvoudigd hij heeft vereenvoudigd wij hebben vereenvoudigd jullie hebben vereenvoudigd zij hebben vereenvoudigd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vereenvoudigde jij vereenvoudigde hij vereenvoudigde wij vereenvoudigden jullie vereenvoudigden zij vereenvoudigden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had vereenvoudigd jij had vereenvoudigd hij had vereenvoudigd wij hadden vereenvoudigd jullie hadden vereenvoudigd zij hadden vereenvoudigd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vereenvoudigen jij zult vereenvoudigen hij zal vereenvoudigen wij zullen vereenvoudigen jullie zullen vereenvoudigen zij zullen vereenvoudigen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal vereenvoudigd hebben jij zult vereenvoudigd hebben hij zal vereenvoudigd hebben wij zullen vereenvoudigd hebben jullie zullen vereenvoudigd hebben zij zullen vereenvoudigd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vereenvoudigen jij zou vereenvoudigen hij zou vereenvoudigen wij zouden vereenvoudigen jullie zouden vereenvoudigen zij zouden vereenvoudigen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou vereenvoudigd hebben jij zou vereenvoudigd hebben hij zou vereenvoudigd hebben wij zouden vereenvoudigd hebben jullie zouden vereenvoudigd hebben zij zouden vereenvoudigd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vereenvoudig
|