NL: verdubbelenSynoniemen: reproduceren, vermenigvuldigen, doubleren, paarsgewijs, gepaard, dubbel
DE: verdoppeln, multiplizieren, vervielfältigen, vervielfachen, vermehren, fälschen, reproduzieren
EN: duplicate, double
FR: doubler, redoubler, augmenter du double, reproduire
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verdubbeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verdubbel jij verdubbelt hij verdubbelt wij verdubbelen jullie verdubbelen zij verdubbelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verdubbeld jij hebt verdubbeld hij heeft verdubbeld wij hebben verdubbeld jullie hebben verdubbeld zij hebben verdubbeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verdubbelde jij verdubbelde hij verdubbelde wij verdubbelden jullie verdubbelden zij verdubbelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verdubbeld jij had verdubbeld hij had verdubbeld wij hadden verdubbeld jullie hadden verdubbeld zij hadden verdubbeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verdubbelen jij zult verdubbelen hij zal verdubbelen wij zullen verdubbelen jullie zullen verdubbelen zij zullen verdubbelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verdubbeld hebben jij zult verdubbeld hebben hij zal verdubbeld hebben wij zullen verdubbeld hebben jullie zullen verdubbeld hebben zij zullen verdubbeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verdubbelen jij zou verdubbelen hij zou verdubbelen wij zouden verdubbelen jullie zouden verdubbelen zij zouden verdubbelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verdubbeld hebben jij zou verdubbeld hebben hij zou verdubbeld hebben wij zouden verdubbeld hebben jullie zouden verdubbeld hebben zij zouden verdubbeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verdubbel
|