NL: verdragenSynoniemen: bestand zijn, doorstaan, uithouden, velen, uitstaan, harden, dulden, verteren, verduren, doorleven, volhouden, uitzingen, dragen
DE: verdragen (doorstaan): vertragen, erfahren, bestehen, dulden, erleben, verdauen, aushalten, überdauern, leiden, überstehen
EN: verdragen (doorstaan): bear, endure, sustain, stand
ES: verdragen (doorstaan): sufrir, soportar, ponerse, padecer, gastar, digerir, aguantar, resistir, desaparecer, consumir, experimentar, hundirse, comerse, sucumbir, pasar por
FR: verdragen (doorstaan): soutenir, souffrir, endurer, dépenser, tolérer, se consommer, subir, supporter, traverser, débourser, tenir le coup
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verdragen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verdraag jij verdraagt hij verdraagt wij verdragen jullie verdragen zij verdragen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verdragen jij hebt verdragen hij heeft verdragen wij hebben verdragen jullie hebben verdragen zij hebben verdragen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verdroeg jij verdroeg hij verdroeg wij verdroegen jullie verdroegen zij verdroegen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verdragen jij had verdragen hij had verdragen wij hadden verdragen jullie hadden verdragen zij hadden verdragen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verdragen jij zult verdragen hij zal verdragen wij zullen verdragen jullie zullen verdragen zij zullen verdragen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verdragen hebben jij zult verdragen hebben hij zal verdragen hebben wij zullen verdragen hebben jullie zullen verdragen hebben zij zullen verdragen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verdragen jij zou verdragen hij zou verdragen wij zouden verdragen jullie zouden verdragen zij zouden verdragen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verdragen hebben jij zou verdragen hebben hij zou verdragen hebben wij zouden verdragen hebben jullie zouden verdragen hebben zij zouden verdragen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verdraag
|