NL: verdienenSynoniemen: de kost verdienen
DE: erwerben, erlangen, erringen, kriegen, bekommen, beiverdienen, dazuverdienen, erhalten, hinzuverdienen, zuverdienen, erwerben, erlangen, erringen, kriegen, bekommen, beiverdienen, dazuverdienen, erhalten, hinzuverdienen, zuverdienen
EN: earn a living, earn one's bread
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verdiend
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verdien jij verdient hij verdient wij verdienen jullie verdienen zij verdienen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verdiend jij hebt verdiend hij heeft verdiend wij hebben verdiend jullie hebben verdiend zij hebben verdiend
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verdiende jij verdiende hij verdiende wij verdienden jullie verdienden zij verdienden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verdiend jij had verdiend hij had verdiend wij hadden verdiend jullie hadden verdiend zij hadden verdiend
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verdienen jij zult verdienen hij zal verdienen wij zullen verdienen jullie zullen verdienen zij zullen verdienen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verdiend hebben jij zult verdiend hebben hij zal verdiend hebben wij zullen verdiend hebben jullie zullen verdiend hebben zij zullen verdiend hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verdienen jij zou verdienen hij zou verdienen wij zouden verdienen jullie zouden verdienen zij zouden verdienen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verdiend hebben jij zou verdiend hebben hij zou verdiend hebben wij zouden verdiend hebben jullie zouden verdiend hebben zij zouden verdiend hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verdien
|
DE: verdienenSynoniemen: erwerben, erlangen, erringen, kriegen, bekommen, beiverdienen, dazuverdienen, erhalten, hinzuverdienen, zuverdienen, erwerben, erlangen, erringen, kriegen, bekommen, beiverdienen, dazuverdienen, erhalten, hinzuverdienen, zuverdienen
NL: de kost verdienen
EN: earn a living, earn one's bread
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
verdient verdienend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich verdiene du verdienst er verdient wir verdienen ihr verdient sie; Sie verdienen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe verdient du hast verdient er hat verdient wir haben verdient ihr habt verdient sie; Sie haben verdient
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich verdiente du verdientest er verdiente wir verdienten ihr verdientet sie; Sie verdienten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte verdient du hattest verdient er hatte verdient wir hatten verdient ihr hattet verdient sie; Sie hatten verdient
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde verdienen du wirst verdienen er wird verdienen wir werden verdienen ihr werdet verdienen sie; Sie werden verdienen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde verdient haben du wirst verdient haben er wird verdient haben wir werden verdient haben ihr werdet verdient haben sie; Sie werden verdient haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich verdiene du verdienest er verdiene wir verdienen ihr verdienet sie; Sie verdienen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe verdient du habest verdient er habe verdient wir haben verdient ihr habet verdient sie; Sie haben verdient
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich verdiente du verdientest er verdiente wir verdienten ihr verdientet sie; Sie verdienten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte verdient du hättest verdient er hätte verdient wir hätten verdient ihr hättet verdient sie; Sie hätten verdient
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde verdienen du würdest verdienen er würde verdienen wir würden verdienen ihr würdet verdienen sie; Sie würden verdienen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde verdient haben du würdest verdient haben er würde verdient haben wir würden verdient haben ihr würdet verdient haben sie; Sie würden verdient haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du verdiene
|