Werkwoord vervoegen

Typ een werkwoord in één van de talen NL, DE, EN, ES of FR.

Vervoeg

DE: verdienen
Synoniemen: erwerben, erlangen, erringen, kriegen, bekommen, beiverdienen, dazuverdienen, erhalten, hinzuverdienen, zuverdienen, erwerben, erlangen, erringen, kriegen, bekommen, beiverdienen, dazuverdienen, erhalten, hinzuverdienen, zuverdienen

NL: de kost verdienen
EN: earn a living, earn one's bread


NL: verdienen

U: Vervoeg zoals `jij`. Men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`.

Voltooid deelwoord
verdiend

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik verdien
jij verdient
hij verdient
wij verdienen
jullie verdienen
zij verdienen

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
dat ik verdien
dat jij verdient
dat hij verdient
dat wij verdienen
dat jullie verdienen
dat zij verdienen

Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb verdiend
jij hebt verdiend
hij heeft verdiend
wij hebben verdiend
jullie hebben verdiend
zij hebben verdiend

Onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik verdiende
jij verdiende
hij verdiende
wij verdienden
jullie verdienden
zij verdienden

Onvoltooid verleden tijd (ovt)
dat ik verdiende
dat jij verdiende
dat hij verdiende
dat wij verdienden
dat jullie verdienden
dat zij verdienden

Voltooid verleden tijd (vvt)
ik had verdiend
jij had verdiend
hij had verdiend
wij hadden verdiend
jullie hadden verdiend
zij hadden verdiend

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal verdienen
jij zult verdienen
hij zal verdienen
wij zullen verdienen
jullie zullen verdienen
zij zullen verdienen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal verdiend hebben
jij zult verdiend hebben
hij zal verdiend hebben
wij zullen verdiend hebben
jullie zullen verdiend hebben
zij zullen verdiend hebben

Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou verdienen
jij zou verdienen
hij zou verdienen
wij zouden verdienen
jullie zouden verdienen
zij zouden verdienen

Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou verdiend hebben
jij zou verdiend hebben
hij zou verdiend hebben
wij zouden verdiend hebben
jullie zouden verdiend hebben
zij zouden verdiend hebben

Gebiedende wijs
verdien



DE: verdienen
Partizip Perfekt & Präsens
verdient
verdienend

Indikativ Präsens
ich verdiene
du verdienst
er verdient
wir verdienen
ihr verdient
sie; Sie verdienen

Indikativ Perfekt
ich habe verdient
du hast verdient
er hat verdient
wir haben verdient
ihr habt verdient
sie; Sie haben verdient

Indikativ Präteritum
ich verdiente
du verdientest
er verdiente
wir verdienten
ihr verdientet
sie; Sie verdienten

Indikativ Plusquamperfekt
ich hatte verdient
du hattest verdient
er hatte verdient
wir hatten verdient
ihr hattet verdient
sie; Sie hatten verdient

Indikativ Futur I
ich werde verdienen
du wirst verdienen
er wird verdienen
wir werden verdienen
ihr werdet verdienen
sie; Sie werden verdienen

Indikativ Futur II
ich werde verdient haben
du wirst verdient haben
er wird verdient haben
wir werden verdient haben
ihr werdet verdient haben
sie; Sie werden verdient haben

Konjunktiv I Präsens
ich verdiene
du verdienest
er verdiene
wir verdienen
ihr verdienet
sie; Sie verdienen

Konjunktiv I Perfekt
ich habe verdient
du habest verdient
er habe verdient
wir haben verdient
ihr habet verdient
sie; Sie haben verdient

Konjunktiv II Präsens
ich verdiente
du verdientest
er verdiente
wir verdienten
ihr verdientet
sie; Sie verdienten

Konjunktiv II Perfekt
ich hätte verdient
du hättest verdient
er hätte verdient
wir hätten verdient
ihr hättet verdient
sie; Sie hätten verdient

Konjunktiv II Futur I
ich würde verdienen
du würdest verdienen
er würde verdienen
wir würden verdienen
ihr würdet verdienen
sie; Sie würden verdienen

Konjunktiv II Futur II
ich würde verdient haben
du würdest verdient haben
er würde verdient haben
wir würden verdient haben
ihr würdet verdient haben
sie; Sie würden verdient haben

der Imperativ
du verdiene


Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden


Duitse werkwoorden


Engelse werkwoorden


Franse werkwoorden


Spaanse werkwoorden