NL: verburgerlijken U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verburgerlijkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verburgerlijk jij verburgerlijkt hij verburgerlijkt wij verburgerlijken jullie verburgerlijken zij verburgerlijken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verburgerlijkt jij hebt verburgerlijkt hij heeft verburgerlijkt wij hebben verburgerlijkt jullie hebben verburgerlijkt zij hebben verburgerlijkt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verburgerlijkte jij verburgerlijkte hij verburgerlijkte wij verburgerlijkten jullie verburgerlijkten zij verburgerlijkten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verburgerlijkt jij had verburgerlijkt hij had verburgerlijkt wij hadden verburgerlijkt jullie hadden verburgerlijkt zij hadden verburgerlijkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verburgerlijken jij zult verburgerlijken hij zal verburgerlijken wij zullen verburgerlijken jullie zullen verburgerlijken zij zullen verburgerlijken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verburgerlijkt hebben jij zult verburgerlijkt hebben hij zal verburgerlijkt hebben wij zullen verburgerlijkt hebben jullie zullen verburgerlijkt hebben zij zullen verburgerlijkt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verburgerlijken jij zou verburgerlijken hij zou verburgerlijken wij zouden verburgerlijken jullie zouden verburgerlijken zij zouden verburgerlijken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verburgerlijkt hebben jij zou verburgerlijkt hebben hij zou verburgerlijkt hebben wij zouden verburgerlijkt hebben jullie zouden verburgerlijkt hebben zij zouden verburgerlijkt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verburgerlijk
|