NL: verblekenSynoniemen: lijkwit worden, vaal worden, vervagen, tanen
DE: erbleichen, verblassen, erblassen, verschießen
EN: go pale, blanch, turn pale, turn white, go white
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verbleekt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verbleek jij verbleekt hij verbleekt wij verbleken jullie verbleken zij verbleken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verbleekt jij hebt verbleekt hij heeft verbleekt wij hebben verbleekt jullie hebben verbleekt zij hebben verbleekt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verbleekte jij verbleekte hij verbleekte wij verbleekten jullie verbleekten zij verbleekten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verbleekt jij had verbleekt hij had verbleekt wij hadden verbleekt jullie hadden verbleekt zij hadden verbleekt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verbleken jij zult verbleken hij zal verbleken wij zullen verbleken jullie zullen verbleken zij zullen verbleken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verbleekt hebben jij zult verbleekt hebben hij zal verbleekt hebben wij zullen verbleekt hebben jullie zullen verbleekt hebben zij zullen verbleekt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verbleken jij zou verbleken hij zou verbleken wij zouden verbleken jullie zouden verbleken zij zouden verbleken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verbleekt hebben jij zou verbleekt hebben hij zou verbleekt hebben wij zouden verbleekt hebben jullie zouden verbleekt hebben zij zouden verbleekt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verbleek
|