NL: verbindenSynoniemen: aaneenschakelen
DE: kombinieren, beziehen auf, in Beziehung bringen mit, in Beziehung setzen zu, miteinander in Zusammenhang bringen, zusammenfügen, aneinanderfügen, aneinanderheften, aneinandersetzen, anheften, zusammenheften, zusammensetzen, einwickeln, umwickeln, aufwic
EN: link up
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verbonden
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verbind jij verbindt hij verbindt wij verbinden jullie verbinden zij verbinden
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verbonden jij hebt verbonden hij heeft verbonden wij hebben verbonden jullie hebben verbonden zij hebben verbonden
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verbond jij verbond hij verbond wij verbonden jullie verbonden zij verbonden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verbonden jij had verbonden hij had verbonden wij hadden verbonden jullie hadden verbonden zij hadden verbonden
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verbinden jij zult verbinden hij zal verbinden wij zullen verbinden jullie zullen verbinden zij zullen verbinden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verbonden hebben jij zult verbonden hebben hij zal verbonden hebben wij zullen verbonden hebben jullie zullen verbonden hebben zij zullen verbonden hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verbinden jij zou verbinden hij zou verbinden wij zouden verbinden jullie zouden verbinden zij zouden verbinden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verbonden hebben jij zou verbonden hebben hij zou verbonden hebben wij zouden verbonden hebben jullie zouden verbonden hebben zij zouden verbonden hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verbind
|
DE: verbindenSynoniemen: kombinieren, beziehen auf, in Beziehung bringen mit, in Beziehung setzen zu, miteinander in Zusammenhang bringen, zusammenfügen, aneinanderfügen, aneinanderheften, aneinandersetzen, anheften, zusammenheften, zusammensetzen, einwickeln, umwickeln, aufwic
NL: aaneenschakelen
EN: link up
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
verbunden verbindend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich verbinde du verbindest er verbindet wir verbinden ihr verbindet sie; Sie verbinden
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe verbunden du hast verbunden er hat verbunden wir haben verbunden ihr habt verbunden sie; Sie haben verbunden
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich verband du verbandest er verband wir verbanden ihr verbandet sie; Sie verbanden
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte verbunden du hattest verbunden er hatte verbunden wir hatten verbunden ihr hattet verbunden sie; Sie hatten verbunden
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde verbinden du wirst verbinden er wird verbinden wir werden verbinden ihr werdet verbinden sie; Sie werden verbinden
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde verbunden haben du wirst verbunden haben er wird verbunden haben wir werden verbunden haben ihr werdet verbunden haben sie; Sie werden verbunden haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich verbinde du verbindest er verbinde wir verbinden ihr verbindet sie; Sie verbinden
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe verbunden du habest verbunden er habe verbunden wir haben verbunden ihr habet verbunden sie; Sie haben verbunden
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich verbände du verbändest er verbände wir verbänden ihr verbändet sie; Sie verbänden
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte verbunden du hättest verbunden er hätte verbunden wir hätten verbunden ihr hättet verbunden sie; Sie hätten verbunden
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde verbinden du würdest verbinden er würde verbinden wir würden verbinden ihr würdet verbinden sie; Sie würden verbinden
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde verbunden haben du würdest verbunden haben er würde verbunden haben wir würden verbunden haben ihr würdet verbunden haben sie; Sie würden verbunden haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du verbinde; verbind
|