NL: verbannenSynoniemen: verbannen, verdrijven, uitstoten, verjagen, uitwijzen, bannen, uitzetten, uitbannen, wegjagen, bezweren
DE: bannen, des Landes verweisen, exilieren, ins Exil schicken, in die Verbannung schicken, bannen, des Landes verweisen, exilieren, ins Exil schicken, in die Verbannung schicken
EN: banish, expel, ban, ostracize, exile, repel, exorcize, drive out, drive away, drive off, exorcise, dispel
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verbannen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verban jij verbant hij verbant wij verbannen jullie verbannen zij verbannen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verbannen jij hebt verbannen hij heeft verbannen wij hebben verbannen jullie hebben verbannen zij hebben verbannen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verbande jij verbande hij verbande wij verbanden jullie verbanden zij verbanden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verbannen jij had verbannen hij had verbannen wij hadden verbannen jullie hadden verbannen zij hadden verbannen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verbannen jij zult verbannen hij zal verbannen wij zullen verbannen jullie zullen verbannen zij zullen verbannen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verbannen hebben jij zult verbannen hebben hij zal verbannen hebben wij zullen verbannen hebben jullie zullen verbannen hebben zij zullen verbannen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verbannen jij zou verbannen hij zou verbannen wij zouden verbannen jullie zouden verbannen zij zouden verbannen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verbannen hebben jij zou verbannen hebben hij zou verbannen hebben wij zouden verbannen hebben jullie zouden verbannen hebben zij zouden verbannen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verban
|
DE: verbannenSynoniemen: bannen, des Landes verweisen, exilieren, ins Exil schicken, in die Verbannung schicken, bannen, des Landes verweisen, exilieren, ins Exil schicken, in die Verbannung schicken
NL: verbannen, verdrijven, uitstoten, verjagen, uitwijzen, bannen, uitzetten, uitbannen, wegjagen, bezweren
EN: banish, expel, ban, ostracize, exile, repel, exorcize, drive out, drive away, drive off, exorcise, dispel
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
verbannt verbannend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich verbanne du verbannst er verbannt wir verbannen ihr verbannt sie; Sie verbannen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe verbannt du hast verbannt er hat verbannt wir haben verbannt ihr habt verbannt sie; Sie haben verbannt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich verbannte du verbanntest er verbannte wir verbannten ihr verbanntet sie; Sie verbannten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte verbannt du hattest verbannt er hatte verbannt wir hatten verbannt ihr hattet verbannt sie; Sie hatten verbannt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde verbannen du wirst verbannen er wird verbannen wir werden verbannen ihr werdet verbannen sie; Sie werden verbannen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde verbannt haben du wirst verbannt haben er wird verbannt haben wir werden verbannt haben ihr werdet verbannt haben sie; Sie werden verbannt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich verbanne du verbannest er verbanne wir verbannen ihr verbannet sie; Sie verbannen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe verbannt du habest verbannt er habe verbannt wir haben verbannt ihr habet verbannt sie; Sie haben verbannt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich verbannte du verbanntest er verbannte wir verbannten ihr verbanntet sie; Sie verbannten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte verbannt du hättest verbannt er hätte verbannt wir hätten verbannt ihr hättet verbannt sie; Sie hätten verbannt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde verbannen du würdest verbannen er würde verbannen wir würden verbannen ihr würdet verbannen sie; Sie würden verbannen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde verbannt haben du würdest verbannt haben er würde verbannt haben wir würden verbannt haben ihr würdet verbannt haben sie; Sie würden verbannt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du verbanne
|