NL: veranderenSynoniemen: aanpassen, afwisselen, anders worden, modificeren, omtoveren, uiteenlopen, wijzigen, amenderen, muteren, wijziging, wending, verandering, transformatie, omwisselen, omschakeling, omkeer, hervorming, wisselen, verschillen, variëren, omwerken, herzien, ver
DE: veranderen (afwisselen): ändern, verändern, abwechseln, tauschen, variieren, wechseln, abwandeln, bilden, erschaffen, verfertigen
EN: veranderen (afwisselen): change, interchange, alter, switch, transform, vary, invent, make, create
ES: veranderen (afwisselen): cambiar, modificar, transformar, desarrollar, reformar, convertirse en, alterar, cambiar por, convertir, evolucionar
FR: veranderen (afwisselen): changer, modifier, alterner, transformer, échanger, altérer, varier, permuter
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
veranderd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verander jij verandert hij verandert wij veranderen jullie veranderen zij veranderen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb veranderd jij hebt veranderd hij heeft veranderd wij hebben veranderd jullie hebben veranderd zij hebben veranderd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik veranderde jij veranderde hij veranderde wij veranderden jullie veranderden zij veranderden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had veranderd jij had veranderd hij had veranderd wij hadden veranderd jullie hadden veranderd zij hadden veranderd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal veranderen jij zult veranderen hij zal veranderen wij zullen veranderen jullie zullen veranderen zij zullen veranderen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal veranderd hebben jij zult veranderd hebben hij zal veranderd hebben wij zullen veranderd hebben jullie zullen veranderd hebben zij zullen veranderd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou veranderen jij zou veranderen hij zou veranderen wij zouden veranderen jullie zouden veranderen zij zouden veranderen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou veranderd hebben jij zou veranderd hebben hij zou veranderd hebben wij zouden veranderd hebben jullie zouden veranderd hebben zij zouden veranderd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verander
|