NL: verafschuwenSynoniemen: afkeer hebben, verfoeien,
DE: verabscheuen, hassen
EN: abhor, detest, loathe
ES: tener horror a, odiar, detestar, aborrecer, abominar
FR: détester, abhorrer, être horrifié par
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verafschuwd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verafschuw jij verafschuwt hij verafschuwt wij verafschuwen jullie verafschuwen zij verafschuwen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verafschuwd jij hebt verafschuwd hij heeft verafschuwd wij hebben verafschuwd jullie hebben verafschuwd zij hebben verafschuwd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verafschuwde jij verafschuwde hij verafschuwde wij verafschuwden jullie verafschuwden zij verafschuwden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verafschuwd jij had verafschuwd hij had verafschuwd wij hadden verafschuwd jullie hadden verafschuwd zij hadden verafschuwd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verafschuwen jij zult verafschuwen hij zal verafschuwen wij zullen verafschuwen jullie zullen verafschuwen zij zullen verafschuwen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verafschuwd hebben jij zult verafschuwd hebben hij zal verafschuwd hebben wij zullen verafschuwd hebben jullie zullen verafschuwd hebben zij zullen verafschuwd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verafschuwen jij zou verafschuwen hij zou verafschuwen wij zouden verafschuwen jullie zouden verafschuwen zij zouden verafschuwen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verafschuwd hebben jij zou verafschuwd hebben hij zou verafschuwd hebben wij zouden verafschuwd hebben jullie zouden verafschuwd hebben zij zouden verafschuwd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verafschuw
|