NL: vegeterenDE: vegetieren
EN: vegetate
ES: vegetar
FR: végéter
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gevegeteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vegeteer jij vegeteert hij vegeteert wij vegeteren jullie vegeteren zij vegeteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gevegeteerd jij hebt gevegeteerd hij heeft gevegeteerd wij hebben gevegeteerd jullie hebben gevegeteerd zij hebben gevegeteerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vegeteerde jij vegeteerde hij vegeteerde wij vegeteerden jullie vegeteerden zij vegeteerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gevegeteerd jij had gevegeteerd hij had gevegeteerd wij hadden gevegeteerd jullie hadden gevegeteerd zij hadden gevegeteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vegeteren jij zult vegeteren hij zal vegeteren wij zullen vegeteren jullie zullen vegeteren zij zullen vegeteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gevegeteerd hebben jij zult gevegeteerd hebben hij zal gevegeteerd hebben wij zullen gevegeteerd hebben jullie zullen gevegeteerd hebben zij zullen gevegeteerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vegeteren jij zou vegeteren hij zou vegeteren wij zouden vegeteren jullie zouden vegeteren zij zouden vegeteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gevegeteerd hebben jij zou gevegeteerd hebben hij zou gevegeteerd hebben wij zouden gevegeteerd hebben jullie zouden gevegeteerd hebben zij zouden gevegeteerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vegeteer
|