NL: vaststaanSynoniemen: besloten zijn, zeker zijn
DE: feststehen
EN: stand firm
FR: être certain, être sûr
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
vastgestaan
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik sta vast jij staat vast hij staat vast wij staan vast jullie staan vast zij staan vast
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb vastgestaan jij hebt vastgestaan hij heeft vastgestaan wij hebben vastgestaan jullie hebben vastgestaan zij hebben vastgestaan
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik stond vast jij stond vast hij stond vast wij stonden vast jullie stonden vast zij stonden vast
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had vastgestaan jij had vastgestaan hij had vastgestaan wij hadden vastgestaan jullie hadden vastgestaan zij hadden vastgestaan
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vaststaan jij zult vaststaan hij zal vaststaan wij zullen vaststaan jullie zullen vaststaan zij zullen vaststaan
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal vastgestaan hebben jij zult vastgestaan hebben hij zal vastgestaan hebben wij zullen vastgestaan hebben jullie zullen vastgestaan hebben zij zullen vastgestaan hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vaststaan jij zou vaststaan hij zou vaststaan wij zouden vaststaan jullie zouden vaststaan zij zouden vaststaan
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou vastgestaan hebben jij zou vastgestaan hebben hij zou vastgestaan hebben wij zouden vastgestaan hebben jullie zouden vastgestaan hebben zij zouden vastgestaan hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
sta vast
|