NL: vastroestenFR: se rouiller, se fixer par rouillure
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
vastgeroest
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik roest vast jij roest vast hij roest vast wij roesten vast jullie roesten vast zij roesten vast
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb vastgeroest jij hebt vastgeroest hij heeft vastgeroest wij hebben vastgeroest jullie hebben vastgeroest zij hebben vastgeroest
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik roestte vast jij roestte vast hij roestte vast wij roestten vast jullie roestten vast zij roestten vast
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had vastgeroest jij had vastgeroest hij had vastgeroest wij hadden vastgeroest jullie hadden vastgeroest zij hadden vastgeroest
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vastroesten jij zult vastroesten hij zal vastroesten wij zullen vastroesten jullie zullen vastroesten zij zullen vastroesten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal vastgeroest hebben jij zult vastgeroest hebben hij zal vastgeroest hebben wij zullen vastgeroest hebben jullie zullen vastgeroest hebben zij zullen vastgeroest hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vastroesten jij zou vastroesten hij zou vastroesten wij zouden vastroesten jullie zouden vastroesten zij zouden vastroesten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou vastgeroest hebben jij zou vastgeroest hebben hij zou vastgeroest hebben wij zouden vastgeroest hebben jullie zouden vastgeroest hebben zij zouden vastgeroest hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
roest vast
|