Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

vastplakken vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





NL: vastplakken
Synoniemen: aaneenplakken, dichtplakken, vastlijmen, vasthechten, opplakken, lijmen, hechten, vastkleven, plakken, klitten, kleven, aanplakken

EN: the sticking together, the glueing together
FR: le coller, le scotcher, le engluer

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
vastgeplakt
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik plak vast
jij plakt vast
hij plakt vast
wij plakken vast
jullie plakken vast
zij plakken vast
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb vastgeplakt
jij hebt vastgeplakt
hij heeft vastgeplakt
wij hebben vastgeplakt
jullie hebben vastgeplakt
zij hebben vastgeplakt
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik plakte vast
jij plakte vast
hij plakte vast
wij plakten vast
jullie plakten vast
zij plakten vast
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had vastgeplakt
jij had vastgeplakt
hij had vastgeplakt
wij hadden vastgeplakt
jullie hadden vastgeplakt
zij hadden vastgeplakt
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal vastplakken
jij zult vastplakken
hij zal vastplakken
wij zullen vastplakken
jullie zullen vastplakken
zij zullen vastplakken
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal vastgeplakt hebben
jij zult vastgeplakt hebben
hij zal vastgeplakt hebben
wij zullen vastgeplakt hebben
jullie zullen vastgeplakt hebben
zij zullen vastgeplakt hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou vastplakken
jij zou vastplakken
hij zou vastplakken
wij zouden vastplakken
jullie zouden vastplakken
zij zouden vastplakken
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou vastgeplakt hebben
jij zou vastgeplakt hebben
hij zou vastgeplakt hebben
wij zouden vastgeplakt hebben
jullie zouden vastgeplakt hebben
zij zouden vastgeplakt hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
plak vast

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/vastplakken

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English