NL: vastliggenDE: festliegen
ES: ser inamovible
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
vastgelegen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik lig vast jij ligt vast hij ligt vast wij liggen vast jullie liggen vast zij liggen vast
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb vastgelegen jij hebt vastgelegen hij heeft vastgelegen wij hebben vastgelegen jullie hebben vastgelegen zij hebben vastgelegen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik lag vast jij lag vast hij lag vast wij lagen vast jullie lagen vast zij lagen vast
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had vastgelegen jij had vastgelegen hij had vastgelegen wij hadden vastgelegen jullie hadden vastgelegen zij hadden vastgelegen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vastliggen jij zult vastliggen hij zal vastliggen wij zullen vastliggen jullie zullen vastliggen zij zullen vastliggen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal vastgelegen hebben jij zult vastgelegen hebben hij zal vastgelegen hebben wij zullen vastgelegen hebben jullie zullen vastgelegen hebben zij zullen vastgelegen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vastliggen jij zou vastliggen hij zou vastliggen wij zouden vastliggen jullie zouden vastliggen zij zouden vastliggen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou vastgelegen hebben jij zou vastgelegen hebben hij zou vastgelegen hebben wij zouden vastgelegen hebben jullie zouden vastgelegen hebben zij zouden vastgelegen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
lig vast
|