NL: vastklemmenSynoniemen: hebben, knellen, schroeven, vasthouden, vastknellen, vastklampen
EN: clamp, oppress, gag
FR: tordre, serrer, comprimer, compresser
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
vastgeklemd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik klem vast jij klemt vast hij klemt vast wij klemmen vast jullie klemmen vast zij klemmen vast
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb vastgeklemd jij hebt vastgeklemd hij heeft vastgeklemd wij hebben vastgeklemd jullie hebben vastgeklemd zij hebben vastgeklemd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik klemde vast jij klemde vast hij klemde vast wij klemden vast jullie klemden vast zij klemden vast
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had vastgeklemd jij had vastgeklemd hij had vastgeklemd wij hadden vastgeklemd jullie hadden vastgeklemd zij hadden vastgeklemd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vastklemmen jij zult vastklemmen hij zal vastklemmen wij zullen vastklemmen jullie zullen vastklemmen zij zullen vastklemmen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal vastgeklemd hebben jij zult vastgeklemd hebben hij zal vastgeklemd hebben wij zullen vastgeklemd hebben jullie zullen vastgeklemd hebben zij zullen vastgeklemd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vastklemmen jij zou vastklemmen hij zou vastklemmen wij zouden vastklemmen jullie zouden vastklemmen zij zouden vastklemmen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou vastgeklemd hebben jij zou vastgeklemd hebben hij zou vastgeklemd hebben wij zouden vastgeklemd hebben jullie zouden vastgeklemd hebben zij zouden vastgeklemd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
klem vast
|