| Vervoegen: vastbinden |
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
| vastgebonden |
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
| ik bind vast jij bindt vast hij bindt vast wij binden vast jullie binden vast zij binden vast |
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
| ik heb vastgebonden jij hebt vastgebonden hij heeft vastgebonden wij hebben vastgebonden jullie hebben vastgebonden zij hebben vastgebonden |
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
| ik bond vast jij bond vast hij bond vast wij bonden vast jullie bonden vast zij bonden vast |
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
| ik had vastgebonden jij had vastgebonden hij had vastgebonden wij hadden vastgebonden jullie hadden vastgebonden zij hadden vastgebonden |
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
| ik zal vastbinden jij zult vastbinden hij zal vastbinden wij zullen vastbinden jullie zullen vastbinden zij zullen vastbinden |
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
| ik zal vastgebonden hebben jij zult vastgebonden hebben hij zal vastgebonden hebben wij zullen vastgebonden hebben jullie zullen vastgebonden hebben zij zullen vastgebonden hebben |
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
| ik zou vastbinden jij zou vastbinden hij zou vastbinden wij zouden vastbinden jullie zouden vastbinden zij zouden vastbinden |
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
| ik zou vastgebonden hebben jij zou vastgebonden hebben hij zou vastgebonden hebben wij zouden vastgebonden hebben jullie zouden vastgebonden hebben zij zouden vastgebonden hebben |
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
| bind vast |