NL: variërenSynoniemen: fluctueren, uiteenlopen, wisselen, verschillen, veranderen, afwisselen
DE: variëren (fluctueren): schwanken, taumeln, wanken
EN: variëren (fluctueren): vary, fluctuate
ES: variëren (fluctueren): cambiar, vacilar, fluctuar, intercambiar, anadear, tambalear, titubear, balancear, tambalearse, desequilibrarse, serpentear, moverse continuamente, balancearse
FR: variëren (fluctueren): fluctuer, osciller, tituber, vaciller
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gevarieerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik varieer jij varieert hij varieert wij variëren jullie variëren zij variëren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gevarieerd jij hebt gevarieerd hij heeft gevarieerd wij hebben gevarieerd jullie hebben gevarieerd zij hebben gevarieerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik varieerde jij varieerde hij varieerde wij varieerden jullie varieerden zij varieerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gevarieerd jij had gevarieerd hij had gevarieerd wij hadden gevarieerd jullie hadden gevarieerd zij hadden gevarieerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal variëren jij zult variëren hij zal variëren wij zullen variëren jullie zullen variëren zij zullen variëren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gevarieerd hebben jij zult gevarieerd hebben hij zal gevarieerd hebben wij zullen gevarieerd hebben jullie zullen gevarieerd hebben zij zullen gevarieerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou variëren jij zou variëren hij zou variëren wij zouden variëren jullie zouden variëren zij zouden variëren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gevarieerd hebben jij zou gevarieerd hebben hij zou gevarieerd hebben wij zouden gevarieerd hebben jullie zouden gevarieerd hebben zij zouden gevarieerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
varieer
|