NL: varenSynoniemen: bevaren, het maken, kanoën, zeilen, navigeren, lopen, zwerven
DE: befahren, navigieren, steuern, lavieren
EN: sail, navigate
ES: navegar, pilotar
FR: naviguer, voguer, naviguer sur
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gevaren
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vaar jij vaart hij vaart wij varen jullie varen zij varen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gevaren jij hebt gevaren hij heeft gevaren wij hebben gevaren jullie hebben gevaren zij hebben gevaren
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik voer jij voer hij voer wij voeren jullie voeren zij voeren
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gevaren jij had gevaren hij had gevaren wij hadden gevaren jullie hadden gevaren zij hadden gevaren
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal varen jij zult varen hij zal varen wij zullen varen jullie zullen varen zij zullen varen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gevaren hebben jij zult gevaren hebben hij zal gevaren hebben wij zullen gevaren hebben jullie zullen gevaren hebben zij zullen gevaren hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou varen jij zou varen hij zou varen wij zouden varen jullie zouden varen zij zouden varen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gevaren hebben jij zou gevaren hebben hij zou gevaren hebben wij zouden gevaren hebben jullie zouden gevaren hebben zij zouden gevaren hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vaar
|