| Vervoegen: vallen |
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
| gevallen |
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
| ik val jij valt hij valt wij vallen jullie vallen zij vallen |
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
| ik ben gevallen jij bent gevallen hij is gevallen wij zijn gevallen jullie zijn gevallen zij zijn gevallen |
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
| ik viel jij viel hij viel wij vielen jullie vielen zij vielen |
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
| ik was gevallen jij was gevallen hij was gevallen wij waren gevallen jullie waren gevallen zij waren gevallen |
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
| ik zal vallen jij zult vallen hij zal vallen wij zullen vallen jullie zullen vallen zij zullen vallen |
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
| ik zal gevallen zijn jij zult gevallen zijn hij zal gevallen zijn wij zullen gevallen zijn jullie zullen gevallen zijn zij zullen gevallen zijn |
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
| ik zou vallen jij zou vallen hij zou vallen wij zouden vallen jullie zouden vallen zij zouden vallen |
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
| ik zou gevallen zijn jij zou gevallen zijn hij zou gevallen zijn wij zouden gevallen zijn jullie zouden gevallen zijn zij zouden gevallen zijn |
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
| val |