Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

vaccineren vervoegen




NL: vaccineren
Synoniemen: inenten, inoculeren

EN: vaccineren (inoculeren): inject

U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gevaccineerd
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik vaccineer
jij vaccineert
hij vaccineert
wij vaccineren
jullie vaccineren
zij vaccineren
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gevaccineerd
jij hebt gevaccineerd
hij heeft gevaccineerd
wij hebben gevaccineerd
jullie hebben gevaccineerd
zij hebben gevaccineerd
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik vaccineerde
jij vaccineerde
hij vaccineerde
wij vaccineerden
jullie vaccineerden
zij vaccineerden
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gevaccineerd
jij had gevaccineerd
hij had gevaccineerd
wij hadden gevaccineerd
jullie hadden gevaccineerd
zij hadden gevaccineerd
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal vaccineren
jij zult vaccineren
hij zal vaccineren
wij zullen vaccineren
jullie zullen vaccineren
zij zullen vaccineren
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gevaccineerd hebben
jij zult gevaccineerd hebben
hij zal gevaccineerd hebben
wij zullen gevaccineerd hebben
jullie zullen gevaccineerd hebben
zij zullen gevaccineerd hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou vaccineren
jij zou vaccineren
hij zou vaccineren
wij zouden vaccineren
jullie zouden vaccineren
zij zouden vaccineren
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gevaccineerd hebben
jij zou gevaccineerd hebben
hij zou gevaccineerd hebben
wij zouden gevaccineerd hebben
jullie zouden gevaccineerd hebben
zij zouden gevaccineerd hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
vaccineer

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/vaccineren

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Duitse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Engelse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Franse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Spaanse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Vervoegen

avoir être willen send sein
© Mijnwoordenboek MMXI | Contact | Privacy | Vaakst vertaald