NL: uitzonderenSynoniemen: afzonderen, buitensluiten
DE: ausschließen, aussperren
EN: except
ES: excluir
FR: exclure, excepter
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgezonderd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zonder uit jij zondert uit hij zondert uit wij zonderen uit jullie zonderen uit zij zonderen uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgezonderd jij hebt uitgezonderd hij heeft uitgezonderd wij hebben uitgezonderd jullie hebben uitgezonderd zij hebben uitgezonderd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zonderde uit jij zonderde uit hij zonderde uit wij zonderden uit jullie zonderden uit zij zonderden uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgezonderd jij had uitgezonderd hij had uitgezonderd wij hadden uitgezonderd jullie hadden uitgezonderd zij hadden uitgezonderd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitzonderen jij zult uitzonderen hij zal uitzonderen wij zullen uitzonderen jullie zullen uitzonderen zij zullen uitzonderen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgezonderd hebben jij zult uitgezonderd hebben hij zal uitgezonderd hebben wij zullen uitgezonderd hebben jullie zullen uitgezonderd hebben zij zullen uitgezonderd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitzonderen jij zou uitzonderen hij zou uitzonderen wij zouden uitzonderen jullie zouden uitzonderen zij zouden uitzonderen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgezonderd hebben jij zou uitgezonderd hebben hij zou uitgezonderd hebben wij zouden uitgezonderd hebben jullie zouden uitgezonderd hebben zij zouden uitgezonderd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zonder uit
|