NL: uitzaaienSynoniemen: rondstrooien, zaaien, dissemineren, uitstrooien, verspreiden, verdeler, verbreider, verbreiden, uitzenden
EN: metastasize, sow, disseminate
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgezaaid
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zaai uit jij zaait uit hij zaait uit wij zaaien uit jullie zaaien uit zij zaaien uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgezaaid jij hebt uitgezaaid hij heeft uitgezaaid wij hebben uitgezaaid jullie hebben uitgezaaid zij hebben uitgezaaid
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zaaide uit jij zaaide uit hij zaaide uit wij zaaiden uit jullie zaaiden uit zij zaaiden uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgezaaid jij had uitgezaaid hij had uitgezaaid wij hadden uitgezaaid jullie hadden uitgezaaid zij hadden uitgezaaid
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitzaaien jij zult uitzaaien hij zal uitzaaien wij zullen uitzaaien jullie zullen uitzaaien zij zullen uitzaaien
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgezaaid hebben jij zult uitgezaaid hebben hij zal uitgezaaid hebben wij zullen uitgezaaid hebben jullie zullen uitgezaaid hebben zij zullen uitgezaaid hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitzaaien jij zou uitzaaien hij zou uitzaaien wij zouden uitzaaien jullie zouden uitzaaien zij zouden uitzaaien
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgezaaid hebben jij zou uitgezaaid hebben hij zou uitgezaaid hebben wij zouden uitgezaaid hebben jullie zouden uitgezaaid hebben zij zouden uitgezaaid hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zaai uit
|