NL: uitwisselenSynoniemen: ruilen, verruilen
DE: austauschen, tauschen, auswechseln, wechseln, umtauschen, einwechseln, einlösen, abwechseln, vertauschen, eintauschen, konvertieren
EN: exchange, swop, trade, change for, barter
ES: intercambiar
FR: échanger, faire un échange, changer, troquer, permuter, changer de place
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgewisseld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik wissel uit jij wisselt uit hij wisselt uit wij wisselen uit jullie wisselen uit zij wisselen uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgewisseld jij hebt uitgewisseld hij heeft uitgewisseld wij hebben uitgewisseld jullie hebben uitgewisseld zij hebben uitgewisseld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik wisselde uit jij wisselde uit hij wisselde uit wij wisselden uit jullie wisselden uit zij wisselden uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgewisseld jij had uitgewisseld hij had uitgewisseld wij hadden uitgewisseld jullie hadden uitgewisseld zij hadden uitgewisseld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitwisselen jij zult uitwisselen hij zal uitwisselen wij zullen uitwisselen jullie zullen uitwisselen zij zullen uitwisselen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgewisseld hebben jij zult uitgewisseld hebben hij zal uitgewisseld hebben wij zullen uitgewisseld hebben jullie zullen uitgewisseld hebben zij zullen uitgewisseld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitwisselen jij zou uitwisselen hij zou uitwisselen wij zouden uitwisselen jullie zouden uitwisselen zij zouden uitwisselen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgewisseld hebben jij zou uitgewisseld hebben hij zou uitgewisseld hebben wij zouden uitgewisseld hebben jullie zouden uitgewisseld hebben zij zouden uitgewisseld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
wissel uit
|