NL: uittrekkenSynoniemen: afleggen, bestemmen, emigreren, extraheren, lostornen, samenvatten, uitkleden, verschuiven, verdagen, uitstellen, uitkrijgen, uitdoen, afzetten, afdoen, aanhouden, uithalen, tornen, losmaken, loskrijgen, ontkleden, rooien
DE: uittrekken (lostornen): losziehen, ausfädeln, aufmachen, auflösen, andrehen, ausholen, aushecken, losmachen, treiben, lösen, lockern, abhängen, abtrennen, ausmisten, auftrennen
EN: uittrekken (lostornen): pull out, untie, get undone, unpick
ES: uittrekken (lostornen): desanudar, extraer, limpiar a fondo, hacer, quitarse, estirar el pie, lograr desprender, dejar, salir, sacar, abrir, despertar, arrancar, abandonar, soltar
FR: uittrekken (lostornen): dégager, débrancher, détacher, dévisser, découdre, débrayer, dégrafer, nettoyer, défaire, dénouer, déconnecter, curer, dételer, nettoyer à fond, enlever le fumier de
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgetrokken
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik trek uit jij trekt uit hij trekt uit wij trekken uit jullie trekken uit zij trekken uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgetrokken jij hebt uitgetrokken hij heeft uitgetrokken wij hebben uitgetrokken jullie hebben uitgetrokken zij hebben uitgetrokken
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik trok uit jij trok uit hij trok uit wij trokken uit jullie trokken uit zij trokken uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgetrokken jij had uitgetrokken hij had uitgetrokken wij hadden uitgetrokken jullie hadden uitgetrokken zij hadden uitgetrokken
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uittrekken jij zult uittrekken hij zal uittrekken wij zullen uittrekken jullie zullen uittrekken zij zullen uittrekken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgetrokken hebben jij zult uitgetrokken hebben hij zal uitgetrokken hebben wij zullen uitgetrokken hebben jullie zullen uitgetrokken hebben zij zullen uitgetrokken hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uittrekken jij zou uittrekken hij zou uittrekken wij zouden uittrekken jullie zouden uittrekken zij zouden uittrekken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgetrokken hebben jij zou uitgetrokken hebben hij zou uitgetrokken hebben wij zouden uitgetrokken hebben jullie zouden uitgetrokken hebben zij zouden uitgetrokken hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
trek uit
|