NL: uitsturenSynoniemen: wegzenden, wegsturen, verzenden, ontslaan, ontheffen
EN: uitsturen (wegsturen): discharge, fire, dismiss, lay off, release, sack, drop
ES: uitsturen (wegsturen): echar, mandar, despachar, enviar, destituir, expulsar, disolver
FR: uitsturen (wegsturen): licencier, décharger, renvoyer, congédier, démettre
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgestuurd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik stuur uit jij stuurt uit hij stuurt uit wij sturen uit jullie sturen uit zij sturen uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgestuurd jij hebt uitgestuurd hij heeft uitgestuurd wij hebben uitgestuurd jullie hebben uitgestuurd zij hebben uitgestuurd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik stuurde uit jij stuurde uit hij stuurde uit wij stuurden uit jullie stuurden uit zij stuurden uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgestuurd jij had uitgestuurd hij had uitgestuurd wij hadden uitgestuurd jullie hadden uitgestuurd zij hadden uitgestuurd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitsturen jij zult uitsturen hij zal uitsturen wij zullen uitsturen jullie zullen uitsturen zij zullen uitsturen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgestuurd hebben jij zult uitgestuurd hebben hij zal uitgestuurd hebben wij zullen uitgestuurd hebben jullie zullen uitgestuurd hebben zij zullen uitgestuurd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitsturen jij zou uitsturen hij zou uitsturen wij zouden uitsturen jullie zouden uitsturen zij zouden uitsturen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgestuurd hebben jij zou uitgestuurd hebben hij zou uitgestuurd hebben wij zouden uitgestuurd hebben jullie zouden uitgestuurd hebben zij zouden uitgestuurd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
stuur uit
|