NL: uitstotenSynoniemen: bannen, lozen, uitbannen, uitbrengen, uitwerpen, uitscheiden, afvoeren, afscheiden, wegjagen, verjagen, verdrijven, verbannen, uitzetten, uitwijzen, bezweren
DE: uitstoten (lozen): ausstoßen, ausscheiden
EN: uitstoten (lozen): expel, discharge, disgorge, drain, remove, empty
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgestoten
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik stoot uit jij stoot uit hij stoot uit wij stoten uit jullie stoten uit zij stoten uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgestoten jij hebt uitgestoten hij heeft uitgestoten wij hebben uitgestoten jullie hebben uitgestoten zij hebben uitgestoten
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik stiet; stootte uit jij stiet; stootte uit hij stiet; stootte uit wij stieten; stootten uit jullie stieten; stootten uit zij stieten; stootten uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgestoten jij had uitgestoten hij had uitgestoten wij hadden uitgestoten jullie hadden uitgestoten zij hadden uitgestoten
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitstoten jij zult uitstoten hij zal uitstoten wij zullen uitstoten jullie zullen uitstoten zij zullen uitstoten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgestoten hebben jij zult uitgestoten hebben hij zal uitgestoten hebben wij zullen uitgestoten hebben jullie zullen uitgestoten hebben zij zullen uitgestoten hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitstoten jij zou uitstoten hij zou uitstoten wij zouden uitstoten jullie zouden uitstoten zij zouden uitstoten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgestoten hebben jij zou uitgestoten hebben hij zou uitgestoten hebben wij zouden uitgestoten hebben jullie zouden uitgestoten hebben zij zouden uitgestoten hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
stoot uit
|