NL: uitstekenSynoniemen: eruitspringend, opvallen, uitblinken, uithollen, uitspringen, uitstrekken, uitbreiden, strekken, rekken, ophouden, opvallend, uitmunten, schitteren, overtreffen, onderscheiden, excelleren, vooruitsteken, vooruitspringen, uitstaan, oprijzen, afsteken
DE: das Hinausragen
EN: the sticking out, the protruding, the bulging
ES: el sobresalir
FR: le protubérer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgestoken
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik steek uit jij steekt uit hij steekt uit wij steken uit jullie steken uit zij steken uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgestoken jij hebt uitgestoken hij heeft uitgestoken wij hebben uitgestoken jullie hebben uitgestoken zij hebben uitgestoken
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik stak uit jij stak uit hij stak uit wij staken uit jullie staken uit zij staken uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgestoken jij had uitgestoken hij had uitgestoken wij hadden uitgestoken jullie hadden uitgestoken zij hadden uitgestoken
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitsteken jij zult uitsteken hij zal uitsteken wij zullen uitsteken jullie zullen uitsteken zij zullen uitsteken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgestoken hebben jij zult uitgestoken hebben hij zal uitgestoken hebben wij zullen uitgestoken hebben jullie zullen uitgestoken hebben zij zullen uitgestoken hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitsteken jij zou uitsteken hij zou uitsteken wij zouden uitsteken jullie zouden uitsteken zij zouden uitsteken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgestoken hebben jij zou uitgestoken hebben hij zou uitgestoken hebben wij zouden uitgestoken hebben jullie zouden uitgestoken hebben zij zouden uitgestoken hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
steek uit
|