NL: uitspuitenSynoniemen: spuiten
DE: spritzen, ausspritzen, ausblasen
EN: spout, gush, spurt
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgespoten
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik spuit uit jij spuit uit hij spuit uit wij spuiten uit jullie spuiten uit zij spuiten uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgespoten jij hebt uitgespoten hij heeft uitgespoten wij hebben uitgespoten jullie hebben uitgespoten zij hebben uitgespoten
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik spoot uit jij spoot uit hij spoot uit wij spoten uit jullie spoten uit zij spoten uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgespoten jij had uitgespoten hij had uitgespoten wij hadden uitgespoten jullie hadden uitgespoten zij hadden uitgespoten
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitspuiten jij zult uitspuiten hij zal uitspuiten wij zullen uitspuiten jullie zullen uitspuiten zij zullen uitspuiten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgespoten hebben jij zult uitgespoten hebben hij zal uitgespoten hebben wij zullen uitgespoten hebben jullie zullen uitgespoten hebben zij zullen uitgespoten hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitspuiten jij zou uitspuiten hij zou uitspuiten wij zouden uitspuiten jullie zouden uitspuiten zij zouden uitspuiten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgespoten hebben jij zou uitgespoten hebben hij zou uitgespoten hebben wij zouden uitgespoten hebben jullie zouden uitgespoten hebben zij zouden uitgespoten hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
spuit uit
|