NL: uitspelenDE: ausspielen, austragen, zu Ende spielen
EN: play out, finish
ES: jugar
FR: finir de jouer, déjouer, finir, terminer, terminer de jouer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgespeeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik speel uit jij speelt uit hij speelt uit wij spelen uit jullie spelen uit zij spelen uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgespeeld jij hebt uitgespeeld hij heeft uitgespeeld wij hebben uitgespeeld jullie hebben uitgespeeld zij hebben uitgespeeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik speelde uit jij speelde uit hij speelde uit wij speelden uit jullie speelden uit zij speelden uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgespeeld jij had uitgespeeld hij had uitgespeeld wij hadden uitgespeeld jullie hadden uitgespeeld zij hadden uitgespeeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitspelen jij zult uitspelen hij zal uitspelen wij zullen uitspelen jullie zullen uitspelen zij zullen uitspelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgespeeld hebben jij zult uitgespeeld hebben hij zal uitgespeeld hebben wij zullen uitgespeeld hebben jullie zullen uitgespeeld hebben zij zullen uitgespeeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitspelen jij zou uitspelen hij zou uitspelen wij zouden uitspelen jullie zouden uitspelen zij zouden uitspelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgespeeld hebben jij zou uitgespeeld hebben hij zou uitgespeeld hebben wij zouden uitgespeeld hebben jullie zouden uitgespeeld hebben zij zouden uitgespeeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
speel uit
|