NL: uitsmerenSynoniemen: smeren, strijken, wrijven, uitstallen, uitspreiden
DE: ausstreichen
EN: spread out, fold out, unfold
ES: extender, untar
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgesmeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik smeer uit jij smeert uit hij smeert uit wij smeren uit jullie smeren uit zij smeren uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgesmeerd jij hebt uitgesmeerd hij heeft uitgesmeerd wij hebben uitgesmeerd jullie hebben uitgesmeerd zij hebben uitgesmeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik smeerde uit jij smeerde uit hij smeerde uit wij smeerden uit jullie smeerden uit zij smeerden uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgesmeerd jij had uitgesmeerd hij had uitgesmeerd wij hadden uitgesmeerd jullie hadden uitgesmeerd zij hadden uitgesmeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitsmeren jij zult uitsmeren hij zal uitsmeren wij zullen uitsmeren jullie zullen uitsmeren zij zullen uitsmeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgesmeerd hebben jij zult uitgesmeerd hebben hij zal uitgesmeerd hebben wij zullen uitgesmeerd hebben jullie zullen uitgesmeerd hebben zij zullen uitgesmeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitsmeren jij zou uitsmeren hij zou uitsmeren wij zouden uitsmeren jullie zouden uitsmeren zij zouden uitsmeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgesmeerd hebben jij zou uitgesmeerd hebben hij zou uitgesmeerd hebben wij zouden uitgesmeerd hebben jullie zouden uitgesmeerd hebben zij zouden uitgesmeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
smeer uit
|