NL: uitrekkenSynoniemen: lengen, rekken, spannen, strekken, verlengde, verlengen, opwinden
DE: verlängern, recken, ausdehnen
EN: prolong, stretch out
ES: alargar
FR: allonger, rallonger, étendre, étirer, prolonger, s'étirer, s'élargir
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgerekt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik rek uit jij rekt uit hij rekt uit wij rekken uit jullie rekken uit zij rekken uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgerekt jij hebt uitgerekt hij heeft uitgerekt wij hebben uitgerekt jullie hebben uitgerekt zij hebben uitgerekt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik rekte uit jij rekte uit hij rekte uit wij rekten uit jullie rekten uit zij rekten uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgerekt jij had uitgerekt hij had uitgerekt wij hadden uitgerekt jullie hadden uitgerekt zij hadden uitgerekt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitrekken jij zult uitrekken hij zal uitrekken wij zullen uitrekken jullie zullen uitrekken zij zullen uitrekken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgerekt hebben jij zult uitgerekt hebben hij zal uitgerekt hebben wij zullen uitgerekt hebben jullie zullen uitgerekt hebben zij zullen uitgerekt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitrekken jij zou uitrekken hij zou uitrekken wij zouden uitrekken jullie zouden uitrekken zij zouden uitrekken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgerekt hebben jij zou uitgerekt hebben hij zou uitgerekt hebben wij zouden uitgerekt hebben jullie zouden uitgerekt hebben zij zouden uitgerekt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
rek uit
|