NL: uitreikenSynoniemen: distribueren, overhandigen, ronddelen, verdelen, uitdelen, rondgeven, rondreiken
DE: uitreiken (distribueren): verteilen, distribuieren, überreichen, vermitteln, ausgeben, aushändigen, verschaffen, geben, gewähren, ausstellen, schaffen, holen, liefern, bereitstellen, besorgen
EN: uitreiken (distribueren): distribute, hand out, ration
ES: uitreiken (distribueren): distribuir, dividir, repartir, extender, desplegar, dar, esparcir
FR: uitreiken (distribueren): diviser, partager, remettre, distribuer, procurer, répartir, servir, fournir, verser, allouer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgereikt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik reik uit jij reikt uit hij reikt uit wij reiken uit jullie reiken uit zij reiken uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgereikt jij hebt uitgereikt hij heeft uitgereikt wij hebben uitgereikt jullie hebben uitgereikt zij hebben uitgereikt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik reikte uit jij reikte uit hij reikte uit wij reikten uit jullie reikten uit zij reikten uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgereikt jij had uitgereikt hij had uitgereikt wij hadden uitgereikt jullie hadden uitgereikt zij hadden uitgereikt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitreiken jij zult uitreiken hij zal uitreiken wij zullen uitreiken jullie zullen uitreiken zij zullen uitreiken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgereikt hebben jij zult uitgereikt hebben hij zal uitgereikt hebben wij zullen uitgereikt hebben jullie zullen uitgereikt hebben zij zullen uitgereikt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitreiken jij zou uitreiken hij zou uitreiken wij zouden uitreiken jullie zouden uitreiken zij zouden uitreiken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgereikt hebben jij zou uitgereikt hebben hij zou uitgereikt hebben wij zouden uitgereikt hebben jullie zouden uitgereikt hebben zij zouden uitgereikt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
reik uit
|